Over de eerste bundel heb ik tientallen jaren gedaan, bij wijze van spreken dan, over de tweede vier jaar, over de derde heb ik twee jaar gedaan. Deze bundel bevat (ook) veel associatieve gedichten, merk ik. De liefde speelt er een iets mindere rol in, hij is meer gemixt aan het worden.
Ik wil de woorden meer ruimte geven, meer “lucht”.  Daarom zijn mijn gedichten soms wars van grammaticale regels, omdat ik op die manier beter kan zeggen wat ik wil. Het moet begrijpelijk blijven, al is het vaak meer een begrip op gevoelsniveau dan op analytisch niveau. Ik herinner me een eerste keer dat ik zo werkte nog heel goed. Het is een zin uit mijn eerste bundel, namelijk “ de tederheid in zevenvoud verslaan het aardse leven.“ 

Die zin moest er per se in en op dat moment wist ik nog niet waarom precies. Het voelde intuïtief zo aan. Lezers vonden het wat vreemd, maar ik was er van overtuigd dat die zin zo moest. Het gaf me ook een gevoel van onaantastbaarheid, zoiets van: “Ik maak zelf wel even uit wat wel en wat niet kan.” Dat intuïtieve was in één zin al de essentie van mijn “dichterschap” nu. Het is echter allesbehalve een pose, want ik verwacht dat hierna weer een andere fase komt, na dit loszingen van de woorden uit hun alledaagsheid.
Als tegenhanger en ter compensatie van deze manier van schrijven gebruik ik dan weer juist erg beschrijvende zinnen, zoals bijvoorbeeld:

een palmboom staat onderwijl verkwistend sloom te wuiven”. >>