Niet voor niets is het analyseren van gedichten zo’n klus. Er is behalve de vaak duidelijke context (van dichter, tijd van ontstaan, onderwerp, thematiek), altijd een andere onzegbare laag, een interpretabele laag.

Tijdens mijn studie Nederlands had ik nogal eens een conflict met mijn leraar, een bekende en zekere geleerde. Dat ging altijd over hetzelfde. Hij had zijn interpretatie al klaar, verwachtte van ons dat wij die zouden “ontdekken” en ging daarna over tot de orde van de dag. Nou had ik vaak bewondering voor zijn interpretatie (ik neem absoluut aan dat het de zijne was, zoveel respect had ik voor ’s mans eruditie), maar ik had vaak een eigen, afwijkende zienswijze. Die mocht ik dan meestal uitleggen. Dan keek hij even moeilijk, streek langs zijn kin en zei vervolgens altijd: “Dat is niet slecht gevonden; het zou zelfs kunnen, maar het ís niet zo!” Deze laatste woorden waren ook altijd zijn laatste, want niemand waagde het zijn uitspraak daarover te betwijfelen, laat staan dat hardop te doen. Zelfs ik deed er het zwijgen toe…
Vanaf dat moment ben ik ervan overtuigd dat taal veel ingewikkelder is dan op het eerste gezicht lijkt, ook daar waar het allemaal vanzelfsprekend lijkt, in de communicatie op straat bijvoorbeeld.


Ik ga hier even uit van een situatie waarbij de sprekers elkaar “normaal” verstaan. Bij gedichten is die vanzelfsprekendheid er al helemaal niet, want er is een met woorden geconstrueerde werkelijkheid geschapen.>>